Originaliteit is niet (zo) belangrijk​

Een persoonlijk essay uit 2016 dat voortkomt uit mijn interne conflicten over het onderwerp originaliteit.
Illustratie door Simone Duiker

Het is vrijdag, 19 februari 2016. Een beetje duf zap ik van kanaal naar kanaal, wanneer ik een aflevering van College Tour tegenkom. Daan Roosegaarde is te gast.

Het interview vindt plaats in zijn studio. Na een lovende introductie en een beetje smalltalk wordt het wel snel duidelijk dat Daan en de presentator, Twan Huys, niet helemaal op één lijn liggen. In het begin is dat wel grappig, al dan niet een beetje ongemakkelijk. Na ruim vijf minuten wordt het eerste filmpje getoond. Daarin verwoordt journalist Tracy Metz hoe Daan een mooie vorm weet te geven aan technologie, waardoor we dit beter begrijpen en het dichterbij ons komt, en hij grote problemen zichtbaar en vatbaar weet te maken. Wel is ze van mening dat zijn werk een bepaald showelement bevat, wat enerzijds goed is om het aantrekkelijk te maken voor een groot publiek, maar het kan zijn dat zijn kunst hieronder gaat leiden. Daan wordt ook een soort van societyfiguur genoemd, omdat hij zo vaak te zien is met beroemde mensen. “Societyfiguur. Dat is bijna een vies woord”, zegt Daan. Hij zegt dat als hij wil dat zijn ideeën impact hebben, hij de dialoog wel aan moet gaan. “En vergis je niet, de mythe die Tracy hier enigszins suggereert van de geniale kunstenaar op een zolderkamer die stukjes van zijn oor zit af te peuzelen, heeft nooit bestaan,” voegt hij er nog aan toe.

Na een tijdje komt er een vraag uit het publiek. Een studente industrieel productontwerp stelt de vraag: “Ik ben geen chemicus, maar ik weet wel dat lichtgevende verf niets nieuws is. Het is natuurlijk het combineren van bepaalde zaken waardoor het iets nieuws wordt. Vindt u het zelf dan nog innovatief?” Roosegaarde antwoordt: “Een idee is in die zin nooit echt van jou. Van niemand niet. Een idee kun je alleen maar eigen maken als je het ook echt gaat bouwen, gaat onderzoeken, gaat testen.” Twan vraagt de student wat ze precies bedoeld. “Ik vraag me gewoon af”, zegt ze, “is het werkelijk nieuw wat u doet of is het meer het combineren van bestaande dingen?” Daan stelt een wedervraag: “Geef eens de definitie van wat nieuw is.” De rest van de aflevering blijft dit onderwerp centraal staan. Twan stelt nog eens de vraag: “Geloof je in een origineel idee?”

Een interessante kwestie. Wat is een origineel idee? En is innovatie hetzelfde als originaliteit? In de aflevering van College Tour heerst er een soort van onrust en ongemak rond deze onderwerpen. 

Persoonlijk worstel ik ook vaak met dit vraagstuk wanneer ik zelf iets maak. Is het wel origineel genoeg? Het moet en zal niet lijken op iets anders, het moet zo uniek mogelijk zijn. Maar kan dat eigenlijk wel? Vooral als het gaat om de kunsten lijkt het onderwerp gevoelig te liggen. Lag Daan Roosegaarde ook zo onder vuur als hij zichzelf niet kunstenaar had genoemd, maar entrepreneur?

En is originaliteit eigenlijk wel belangrijk?

Wat is nieuw?

In College Tour vroeg Daan: “Geef eens de definitie van wat nieuw is.” Wordt er met nieuw, een volledig en puur origineel idee bedoelt? Of gaat het om het voortbouwen op bestaande elementen?

Vaak wordt originaliteit omschreven als oorspronkelijkheid. Oorspronkelijkheid impliceert vrijheid en onafhankelijkheid van de kunstenaar op het gebied van keuze, inhoud en/of vorm. (Van Bork et al., 2002). Volgens de auteurswet heeft een origineel werk een zekere creativiteit, een eigen karakter en draagt het een persoonlijk stempel van de maker. Als je niet aan deze eisen voldoet, worden je ideeën – je intellectuele eigendom – niet beschermd. Een ‘origineel’ van iets, is een oorspronkelijk werk dat niet gemaakt is in navolging van een voorbeeld (Van Bork et al., 2002).

In het boek Think Like An Artist stelt Will Gompertz dat originaliteit een proces is, in navolging van een van de meest veelzijdige kunstenaars uit de geschiedenis: Pablo Picasso. In zijn vroege werk is goed te zien hoe hij de kunstenaar is geworden zoals wij hem kennen, namelijk: hij kopieerde. Hij ging naar musea, bestudeerde de technieken van andere kunstenaars en deed ze in zijn eigen atelier na.

“Good artists copy, great artists steal.”
– Pablo Picasso

Gompertz legt uit: na kopiëren komt stelen. Om te kopiëren zijn bepaalde vaardigheden handig, maar er is verder eigenlijk weinig verbeelding voor nodig. Stelen daarentegen, is beheersen. En daarvoor is oefening nodig. Oefening door te kopiëren. Je leert eerst van de meesters: de techniek, licht, compositie. Daarna ga je zelf aan de slag. Je beheerst de techniek en weet je eigen vorm te geven, je ontwikkelt een eigen stijl. Het is de beschrijving van een proces: hoe je van een goede kunstenaar, een geweldige kunstenaar kan worden. Het is niet gek dat deze quote in de loop van de geschiedenis in verschillende vormen opduikt. Mensen als Albert Einstein, Voltaire en Isaac Newton hebben min of meer hetzelfde gezegd, net iets anders verwoordt. Naast het proces wat beschreven is, wilden ze duidelijk maken dat ‘Het Genie’ niet bestaat. Ze wisten dat een origineel idee niet bestaat en dat je eerst bij anderen af moet kijken om tot iets nieuws te komen (Gompertz, 2015). Van Bork zei al: Het grappige aan het begrip originaliteit is dat het vaak door zowel kunstenaar en criticus erg belangrijk bevonden wordt, maar weinig ook daadwerkelijk in staat zijn exact aan te geven in welk werk originaliteit concreet aanwijsbaar is.

Van beter naar anders

We vinden het tegenwoordig bijna noodzaak dat iets origineel, vernieuwend en onderscheidend is. Volgens bepaalde bronnen was dit vroeger wel anders. De focus lag meer op excellentie en prestatie. Zolang de kwaliteit van iets goed was, maakte het niet uit of er delen gekopieerd waren. Een goed voorbeeld hiervan is het werk van William Shakespeare. Hij ging bijna bewust onnodige innovatie uit de weg. Hij verwerkte regelmatig speeches uit geschiedenisboeken en andere toneelstukken in zijn werk. Voor de achttiende eeuw werden woorden of ideeën niet gezien als iemands eigendom en werd het kopiëren ervan niet als iets slechts ervaren. Het werd ontzettend aangemoedigd om te kopiëren van de meesters. Er werd er soms zelfs op neergekeken wanneer kunstenaars en schrijvers zo arrogant waren om hun eigen onderwerpen of plots te bedenken (Lynch, 2002).

De omslag in de publieke opinie ten opzichte van originaliteit lijkt gebeurd te zijn in de tijd van de Romantiek: de achttiende eeuw. De ideeën van filosoof Jean-Jaques Rousseau waren daar kenmerkend voor.

“Als ik niet beter kan zijn, dan ben ik ten minste anders.”
– Jean-Jacques Rousseau

Het verhaal gaat dat Rousseau eigenlijk nergens echt goed in was: hij had gefaald in muziek, literatuur, handel en bovendien niet echt leuk gezelschap. Door dit falen zou bij de meeste mensen de moed in de schoenen zakken, maar niet bij Rousseau. Hij realiseerde zich dat hij niet ondergeschikt was aan de rest – gewoon anders. Hij wist de focus van zijn zwaktes af te halen en de aandacht te leggen op het onderscheid ten opzichte van anderen. Hij werd geprezen om het feit dat hij anders was dan de rest. Zijn idee van “anders is beter” sloeg ontzettend aan. Het werd zo’n populaire gedachte, dat wanneer iets teveel op een bestaand werk leek, het als minder goed beschouwd werd; iets wat in de tijd van Shakespeare niet echt een probleem was geweest (Waterhouse, 1926).

Originaliteit, creativiteit & innovatie

De begrippen originaliteit, creativiteit en innovatie hebben een aantal raakvlakken met elkaar en worden ook door elkaar gebruikt. De definitie van creativiteit is al jarenlang een onderwerp van discussie (Sternberg, 1999). Volgens de auteurswet heeft een origineel werk een zekere creativiteit, maar volgens Runco & Jaeger is originaliteit een onderdeel van de definitie van creativiteit. Wanneer iets niet ongewoon, nieuw of uniek is, dan is iets doorsnee, saai en conventioneel en daardoor niet creatief. Originaliteit is belangrijk voor creativiteit, maar alleen originaliteit is niet voldoende. Originele ideeën en producten kunnen nog steeds waardeloos zijn. Daarom is het andere criterium van creativiteit: effectiviteit. Effectiviteit draait om de toegevoegde waarde. Een origineel idee dat niet geschikt is voor een praktische toepassing, wordt niet als creatief beschouwd. Volgens Runco & Jaeger is creativiteit dus de eigenschap om werk te maken wat zowel nieuw (origineel, onverwacht) als nuttig is.

Creativiteit is belangrijk op zowel individueel als maatschappelijk niveau op veel verschillende gebieden. Op individueel niveau is creativiteit belangrijk bij bijvoorbeeld het oplossen van problemen op het werk of thuis. Op maatschappelijk niveau kan creativiteit leiden tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, nieuwe kunstbewegingen en nieuwe uitvindingen. Ook is er een economisch belang: nieuwe producten en diensten kunnen zorgen voor nieuwe banen (Sternberg, 1999).

Dankzij creativiteit ontstaan er dus nieuwe producten en diensten – oftewel: innovatie. De definitie van innovatie wordt meestal omschreven als een concept van vernieuwing, maar de nadruk ligt minder op de pure originaliteit. Een product of proces verbeteren, wordt al snel innovatie genoemd (Voogel, 2016). Zo lang het idee als nieuw beschouwd wordt door de betrokkenen, wordt iets als innovatie gezien, ook al wordt het door anderen gezien als een ‘imitatie’ van iets wat al bestaat (Van de Ven, 1986). Innovatie hangt sterk samen met verandering. Bedrijven gebruiken innovatie als methode om invloed uit te oefenen op hun omgeving. Ook kan innovatie juist worden ingezet om in te spelen op een steeds veranderende omgeving (Damanpour, 1991). Wat opvalt bij het begrip innovatie, is dat het vrijwel altijd in een zakelijke omgeving gebruikt wordt (Baragheh et al., 2009).

Het boek Not Invented Here stelt dat veel uitvindingen al eens zijn bedacht, maar voor een andere industrie. Innovatie is, net als creativiteit, het leggen van de juiste verbanden. Het boek raad zelfs aan om af te kijken bij andere industrieën, bedrijven en mensen om jezelf of jouw onderneming beter te maken. Stel de juiste vraag over je probleem en kijk hoe andere industrieën die vraag hebben beantwoord. Zo heeft Nike hun Shox Shoes ontwikkeld met de schokwering van de Formule 1 als inspiratiebron en is BMW’s iDrive systeem gebaseerd op de game-industrie (Vullings & Heleven, 2015).

“Creativity is just connecting things.”
– Steve Jobs

Ook Steve Jobs geloofde in de filosofie van het kopiëren. Hij heeft ooit Picasso nog geciteerd over het stelen en kopiëren met daarbij de toevoeging dat ze altijd schaamteloos zijn geweest over het stelen van goede ideeën. Apple is altijd een controversieel bedrijf geweest: gehaat door de één, geliefd door de ander. Eén van de redenen die regelmatig wordt gebruikt als verklaring waarom mensen een hekel hebben aan Apple, is dat ze ideeën stelen van andere bedrijven. Apple ziet dit zelf duidelijk niet als een probleem. Was Apple zo groot geworden als dat het bedrijf nu is, wanneer ze er iets op tegen hadden gehad om ideeën van anderen te gebruiken? Waarschijnlijk niet. Door allemaal verschillende elementen samen te brengen, weten ze uiteindelijk toch innovatieve producten op de markt te brengen (Vullings & Heleven, 2015).

Creativiteit is de verbindende factor tussen originaliteit en innovatie. Voor creativiteit is een zekere mate van originaliteit nodig, voor innovatie is creativiteit nodig. Creativiteit is dus eigenlijk de drijfveer van innovatie. Originaliteit is hierbij minder belangrijk. De focus ligt vooral op het verbeteren van een bestaand proces, product of dienst. Voor bedrijven is het meer van belang dat een probleem opgelost wordt of een bestaand proces effectiever wordt, zodat er geld kan worden verdiend of bespaard. Het maakt voor bedrijven daarom ook minder uit als zij ideeën “stelen” van concurrenten als dat uiteindelijk voor meer omzet zorgt.

Kunst & originaliteit

In de kunst ligt dit anders. Originaliteit was in de kunst een hele tijd wel belangrijk. In 1913 werd kunstenaar Kazimir Malevich gevraagd om de decors en kostuums te ontwerpen voor een futuristische opera, die Overwinning op de zon heette. Het bijzondere van de voorstelling was een decor dat Malevich geschilderd had. Het was een wit achterdoek, waarop hij een zwart vierkant geschilderd had. Hij schilderde het later nog eens, op een doek van 79,5 bij 79,5 cm en noemde het Zwart Vierkant. Het was het eerste schilderij waarop, naar zeggen van Malevich zelf, geen enkele visuele verwijzing zat naar de bestaande wereld te zien was. Het was daarmee het eerste, volledig objectieve schilderij. Alles was tot niets gereduceerd. Zijn schilderij zou later voor miljoenen verkocht worden (Gompertz, 2012).

Veel mensen zullen nog steeds vinden dat een zwart vierkant op een wit doek geen kunst is. Toch is het schilderij miljoenen waard. Dit komt omdat originaliteit in de kunst tot op bepaalde hoogte wel van belang is. Heel zwart-wit gezien (haha), Malevich was simpelweg de eerste die met dit idee kwam. Met behulp van een manifest dat hij had geschreven had om zijn visie te verduidelijken, wist hij het te verkopen. Hij wist: kopiëren heeft geen intellectuele waarde, maar originaliteit en authenticiteit wel. Daarnaast wordt er natuurlijk door het systeem van vraag en aanbod in onze kapitalistische samenleving een financiële waarde gekoppeld aan zeldzaamheid en naamsbekendheid. Dit alles zorgt ervoor dat het schilderij van Malevich zoveel waard is (Gompertz, 2012).

De kunstenaar vs. de ondernemer

Bij bedrijven en innovatie is originaliteit dus minder belangrijk dan in de kunsten. Daan Roosegaarde noemt zichzelf kunstenaar én innovator. Komt de kritiek op zijn werk misschien omdat hij zichzelf kunstenaar noemt?

In de tijd van Rembrandt waren kunstenaars geen kunstenaars, maar ambachtslieden die anderen opleiden om hetzelfde niveau te bereiken. Creativiteit werd geprezen, maar vertrouwen en waarde kwamen vooral vanuit traditie. Ze waren dan wel meesters, maar bevonden zich alsnog ergens in de midden of lage middenklasse, nog onder de handelaren in de maatschappelijke hiërarchie. Verschil tussen ambacht en kunst was er eigenlijk nog niet. De term ‘fine art’ is zelfs pas voor het eerst gebruikt in 1767 (Deresiewicz, 2015).

Dit veranderde in de tijd van de Romantiek, onder andere door onze grote vriend Rousseau. Kunst kwam als het ware op als een nieuw geloof. Kunst maakte zich los van ambacht en werd een wereldwijd begrip, waar muziek, theater, literatuur en de visuele kunst onder vielen (Deresiewicz, 2015). Een kunstenaar werd beschouwd als een “leeg voertuig wat door een hemels figuur werd gezegend met inspiratie en goede ideeën die zij de wereld in mochten brengen” (Steinberg, 1999).

We houden onszelf nog steeds graag voor de gek dat kunstenaars zich niet bezighouden met geld of netwerken. Ze verbeelden een ideaal. Ze volgen hun eigen pad en doen hoe hun eigen ding ondanks de gevolgen. Ze doen geen concessies en hebben slechts één doel: een werk creëren vol waarde en betekenis. Dat is het beeld dat we van de kunstenaar hebben. De realiteit is iets anders. Uiteindelijk zal iedereen toch moeten overleven, en dat lukt niet zonder geld, mensen en middelen. Iemand die dat beter wist dan wie dan ook, was Andy Warhol (Gompertz, 2015).

“Making money is art and working is art and good business is the best art.”
– Andy Warhol

Warhol noemde zijn atelier ‘The Factory’ en produceerde een groot deel van zijn werk niet zelf (Voogel, M., 2016). In 1962 schilderde hij 32 afzonderlijke schilderijen met op elk doek een blik soep van steeds een andere smaak, genaamd Campbell’s Soup Cans. Met de doelbewuste uniformiteit en eenheid stelt hij de gedachte ter discussie dat kunst origineel moet zijn. Het feit dat de doeken bijna identiek zijn, gaat volledig in tegen de tradities van de kunstmarkt. Zijn hele doel was om zijn persoonlijke kenmerk volledig buiten zijn werk te houden en een ‘lopende band’-effect te bereiken. Popart bestond al toen hij zich erbij aansloot, maar geen kunstenaar begreep en verbeeldde de tegenstrijdigheid van het consumentisme beter dan Andy Warhol. Hij koos de consumptiemaatschappij als onderwerp en exploiteerde dezelfde mechaniek om zijn werk te verkopen (Gompertz, 2012).

Op dit moment is er een nieuwe transitie gaande in de kunstwereld. Overal wordt bezuinigd. De instituten die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgericht om kunst te financieren en bevorderen vallen uit elkaar. De professionele kunstenaar verliest zijn financiële bescherming en maakt ruimte voor de creatieve ondernemer. De opkomst van technologieën zoals het internet maken het mogelijk voor kunstenaars om zelf hun kunst te promoten, verkopen en bezorgen bij de afnemer op een manier die concurreert met bedrijven en corporaties. Een universiteit in Oregon heeft onlangs een nieuw programma opgezet onder de noemer “toegepaste ambacht en design”. Studenten leren zowel over ondernemerschap als creatieve toepassing. Maken is verweven met verkopen en studenten moeten beide kunnen. (Deresiewicz, 2015).

Daan Roosegaarde is een creatief ondernemer. Hij heeft een bedrijf dat Studio Roosegaarde heet, waar per project vijf tot twintig medewerkers meehelpen. Dit is een mix van designers, techneuten, persvoorlichters en marketeers. De creatief- en zakelijk directeur is Daan Roosegaarde (Verhoeven, M. 2012). 

Roosegaarde noemt zichzelf kunstenaar en innovator. Kunst, waar originaliteit een lange tijd wel belangrijk is geweest. Innovatie, waar originaliteit minder van belang is. 

De kritiek die Roosegaarde krijgt tijdens College Tour is niet raar. Hij heeft een studio waarin veel mensen werken, waaronder een PR & marketingafdeling. Het is een goed lopende onderneming. Ik denk dat het is vanwege het feit dat hij zichzelf kunstenaar noemt, dat hij kritiek krijgt.

Conclusie

Is het terecht dat Daan Roosegaarde bekritiseerd wordt om zijn originaliteit? Misschien. Ik kijk in dit geval liever naar het grote plaatje. Daan Roosegaarde wil met duurzame, innovatieve ideeën de wereld verbeteren. Hij heeft een positieve boodschap, innovatieve oplossingen en een groot bereik. Als hij mensen bewust weet te maken en weet te inspireren om ook op zo’n manier na te gaan denken, doet het er dan nog toe of hij de eerste of de enige was die het heeft bedacht? 

De drang naar originaliteit is iets wat mij persoonlijk soms in de weg staat om bepaalde dingen te ondernemen. Ik ervaar het als een tegenslag als ik een leuk idee heb verzonnen en ik kom erachter dat iemand anders het al heeft bedacht. Soms houdt dit me tegen om het uit te voeren, terwijl het misschien nog helemaal niet zo is uitgevoerd als ik in gedachten heb – of veel beter uitgevoerd kan worden. Daarom vind ik dat we met z’n allen misschien wat minder waarde moeten hechten aan originaliteit en meer terug moeten naar de tijd van Shakespeare, waarin kwaliteit belangrijker is dan originaliteit. Als je niet iets nieuws kan maken, maak dan een bestaand iets beter.

Beoordeel je wel iets op originaliteit, leg de nadruk dan niet op de vraag “is iets origineel?” maar op de vraag “hoe origineel is iets?” Juridische kwesties rondom plagiaat en intellectueel eigendom daargelaten, is originaliteit is niet zwart of wit, maar een grijs gebied. Zie het als een schaal van 1 tot 10, waarbij 1 een letterlijke kopie is (plagiaat) en 10 een volledig origineel idee zonder enige verwijzing naar iets wat al bestaat. Dat laatste is naar mijn mening vrijwel onmogelijk. Iedereen wordt beïnvloed door zijn omgeving en bouwt voort op bestaande elementen. Laat daarom het streven naar een volledig origineel los en richt je op wat je kunt verbeteren

Bronnen

Auteursrecht.nl. (2016). Waarop kunt u auteursrecht hebben? Geraadpleegd op 08-03-2016 via http://www.auteursrecht.nl/auteursrecht/Waarop-kunt-u-auteursrecht-hebben

Baregheh, A., Rowley, J., & Sambrook, S. (2009). Towards a multidisciplinary definition of innovation. Management decision47(8), 1323-1339.

Van Bork, G.J., Struik, H., Verkruijssse, P.J., Vis, G.J. (2002). Letterkundig lexicon voor de neerlandistik – Originaliteit. Geraadpleegd op 13-06-2016 via http://www.dbnl.org/tekst/
bork001lett01_01/bork001lett01_01_0016.php#o072

Damanpour, F. (1991), “Organizational innovation – a meta-analysis of effects of determinants and moderators”, Academy of Management Journal, Vol. 34 No. 3, pp. 555-90.

Deresiewicz, W. (2015). The Death of the Artist – and the Birth of the Creative Entrepreneur. The Atlantic Magazine. Geraadpleegd op 22-06-2016 via http://www.theatlantic.com/magazine/toc/2015/01/

Gompertz, W. (2015). Think like an artist. St. Ives, GB: Penguin Random House UK

Gompertz, W. (2012). What are you looking at? 150 Years of Modern Art in the Blink of an Eye. St. Ives, GB: Penguin Random House UK.

Heleven, M., Vullings, R. (2015). Not Invented Here: Cross-industry Innovation. Amsterdam, Nederland: BIS Publishers.

Lynch, J. (2002). The perfectly acceptable practice of literary theft: Plagiarism, copyright, and the eighteenth century. Colonial Williamsburg: The Journal of the Colonial Williamsburg Foundation24(4), 51-54.

NPO, College Tour (2016). Seizoen 3, aflevering 6: Daan Roosegaarde. Geraadpleegd op 08-03-2016 via http://www.npo.nl/college-tour/19-02-2016/VPWON_1248330

Rothenberg A. (1976). Homospatial Thinking in Creativity. Arch Gen Psychiatry.1976;33(1):17-26. doi:10.1001/archpsyc.1976.01770010005001.

Runco, M.A., Jaeger, G.J. (2012). The Standard Definition of Creativity. Creativity Research Journal, 24:1, 92-96, DOI: 10.1080/10400419.2012.650092

Smakman, Y. (2013). Herkomst van ‘de knoop doorhakken’. Geraadpleegd op 24-04-2016 via http://www.isgeschiedenis.nl/historische-uitdrukkingen/herkomst-van-de-knoop-doorhakken/

Steinberg, R.J. (1999). Handbook of Creativity. Cambridge: Cambridge University Press

Van de Ven, A. (1986). “Central problems in the management of innovation”, Management Science, Vol. 32 No. 5, pp. 590-607.

Verhoeven, M. (2012). HeART & Society – Daan Roosegaarde. Digital Arts Magazine, 2012. Geraadpleegd op 15-06-2016 via http://cargocollective.com/mariekeverhoeven/HeART-Society-Daan-Roosegaarde

Voogel, M. (2016). Waar ontmoeten kunst, creativiteit en innovatie elkaar? Geraadpleegd op 23-04-2016 via http://www.creativemv.nl/waar-ontmoeten-kunst-creativiteit-en-innovatie-elkaar/

Voogel, M. (2016). Wat is creativiteit?  Geraadpleegd op 23-03-2016 via http://www.creativemv.nl/wat-is-creativiteit/

Waterhouse, F. A.. (1926). Romantic ‘Originality’. The Sewanee Review34(1), 40–49. Geraadpleegd 0- 23-03-2016 http://www.jstor.org/stable/27533952

Meer artikelen: